Geworteld geweten
Aspecten uit het onderzoek manifesteren zich dagelijks voor mijn neus. Terwijl ik mijn boodschappen doe zie ik een drukdoende kleuter met een winkelwagentje op maat door de gangen van de supermarkt scheuren. Als blikken konden doden dan was dat ventje er nu niet meer geweest. Omstanders zijn het zienderogen met elkaar eens dat de winkel geen speeltuin is. De manoeuvres van dat mannetje en de blikken van de omstanders trekken mijn aandacht. Dat ventje is volgens mij in een andere wereld. De gangen van de winkel zijn voor hem snelwegen waar hij stoer doorheen kan sjezen. De winkelende mensen zijn niet meer dan geparkeerde voertuigen en obstakels. Behendig neemt hij een bocht en knalt tegen een winkelende dame op die er werk van maakt. Ze slaakt een kreet. Met een forse stem scheldt ze het joch uit terwijl ze over haar been wrijft. Het kind heeft waarschijnlijk toch enige opvoeding gehad, zo observeer ik, want hij zegt, wel is waar stoïcijns maar toch, “sorry”, terwijl hij haar behendig ontwijkt. Of hij háár ontwijkt betwijfel ik. Waarschijnlijk trotseert hij een tegemoetkomend obstakel.
Een stoere man van in de dertig ziet het tafereel aan en houdt het ventje tegen door zijn karretje vast te pakken. “Zo doen we dat hier niet in de winkel, het karretje is voor boodschappen”, zegt hij streng. Het knaapje zegt niks. Hij kijkt naar zijn handen en houdt zijn kar nog steviger vast. Niemand zegt meer iets, iedereen staat stil. De omstanders kijken toe. De spanning is voelbaar. Dan komt het kereltje met de kleine kar, die hij nog steeds stevig vast heeft, in beweging en rukt zich los van de dertiger. Maar helaas, zijn poging mislukt en hij zet het op een krijsen. De stoere dertiger gaat door zijn knieën. “Met wie ben je hier?” Maar voor hij een gesprekje kan aanknopen komt er een vrouw naast het krijsende kind staan. Haar ogen spugen vuur. “Blijf van mijn zoon af!” bekt ze. “Ik heb uw kind geholpen met rijden door de gangen”, geeft de keurige dertiger aan. De vrouw kijkt rond en ziet de omstanders die waarschijnlijk benieuwd zijn hoe dit afloopt. Daarna kijkt ze naar haar zoon. “Zeg maar sorry”, en ze wacht tot hij het gezegd heeft. De snotneus richt zijn hoofd op en kijkt in het gezicht van de dertiger. Met een gemaakte lach op zijn toet zegt hij “sorrrryy!!” Moeder en zoon lopen samen richting de kassa. Ik denk bij mezelf, dat woordje kent hij dus wel, maar de inhoud ervan is nog niet geland.
Carine sept ‘25