Kunnen

Op de camping ging Joris zijn gang. De meeste mensen kende hem daar wel. Hij en zijn familie komen er al jaren. Joris is een vrolijke, wat onhandige, praatgrage gast. Altijd behulpzaam én luidruchtig. Als er op de camping een klusje te doen was dan was hij er negen van tien keer bij. Voor zijn ouders was het leven met Joris daar heerlijk. Ze konden hem meteen gerust hart laten gaan. Zijn ouders hebben genoten van deze rust. Maar ook daar kwam een einde aan, want Joris gaat nu naar groep zeven.

Op de eerste schooldag staat meneer Klaas bij de deur. Hij geeft iedere leerling een hand, vraagt vriendelijk naar de naam van de leerling waarna hij zijn naam zegt. Daarna geeft Klaas zijn eerste boodschap: “zonder iets te zeggen mag je naar het tafeltje lopen waar je naam op staat en daar gaan zitten”. Ook Joris komt aan de beurt. Vrolijk zegt hij ook zijn naam en loopt naar binnen. Hij ziet zijn vriendje, loopt er naartoe en praat.

Klaas roept Joris vriendelijk toch duidelijk terug. Hij komt ook meteen. Ze kijken elkaar aan, klaas wacht nog heel even en zegt dan; “Zonder te praten mag je gaan zitten waar je ‘Joris’ op het briefje lezen kunt. Zou je dat kunnen?” Joris knikt, gaat de klas in en leest wat briefjes.Dan ziet hij zijn naam. Stralend gaat hij zitten. Hij kijkt naar Klaas die vriendelijk naar Joris knikt. Joris kijkt de klas rond. Klaas gaat verder met zijn missie tot alle kinderen op een stoelzitten. Hij sluit de deur.

Klaas heeft op de eerste schooldag meteen oog voor al zijn leerlingen. Ze wisselen hun naam uit waarna de leerling een kleine opdracht krijgt. Klaas volgt elke leerling en de kinderen volgen hem. De basis van prettig wederkerig contact is op de eerste dag gelegd. Het schooljaar kan beginnen. Joris kan met een klein beetje ondersteuning prima meedoen. Meneer Klaas geeft geen straf, maar leert de kinderen hoe hij het hebben wil. Ze leren wederzijds van elkaar.

Carine, September ‘26